De rechter laat zien wanneer een veiligheidsprobleem verandert in een bestuurlijk en strafrechtelijk probleem.
1. Inleiding
Stel je de situatie voor. Je bent Vice President Operations. Onder jouw verantwoordelijkheid vallen meerdere productielocaties. Op de betrokken plant is een plantmanager aanwezig. Er is een SHEQ-/EHS-functie. Er zijn audits, RI&E’s, meetrapporten, werkoverleggen en interne overlegstructuren.
Op die plant vindt jarenlang blootstelling plaats aan een gevaarlijke stof. De blootstelling speelt zich af op de werkvloer, niet in jouw kantoor als één groot crisismoment. En toch word jij jaren later betrokken in een strafrechtelijk traject en uiteindelijk in hoger beroep veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden en een taakstraf van 180 uur.
Dan is de eerste vraag waarschijnlijk: hoe kan dat?
Die vraag beantwoord ik vanuit mijn gecombineerde blik als jurist Arbo en Seveso én als hogere veiligheidskundige. Daar gaat dit artikel over.
2. De casus
De zaak speelt zich af bij een internationaal opererende onderneming waar filtermateriaal wordt geproduceerd. Op één van de Nederlandse plants wordt gewerkt met ureum-formaldehydelijm. Tijdens het productieproces komt formaldehyde vrij. Dat formaldehyde gevaarlijk is, was binnen de organisatie geen onbekend gegeven. Al in 2010 worden metingen uitgevoerd op de werkvloer. Die metingen lieten zien dat de grenswaarden voor formaldehyde op meerdere meetpunten werden overschreden. Ook persoonsgebonden metingen wezen op concentraties boven de grenswaarden. Naar aanleiding daarvan werden verschillende rapporten opgesteld, waarin werd geadviseerd maatregelen te nemen om de blootstelling te verminderen.
Bij een van die rapporten is bovendien een chemiekaart gevoegd waaruit blijkt dat formaldehyde een voor de gezondheid gevaarlijke stof is en als kankerverwekkend wordt beschouwd.
Het probleem verdwijnt daarna echter niet. In de jaren die volgen worden meerdere RI&E’s gemaakt, waarin wordt gewezen op tekortkomingen in het beleid rond gevaarlijke stoffen. In 2014 wordt geadviseerd een actiever beleid voor gevaarlijke stoffen te ontwikkelen, blootstellingen te beoordelen en de organisatie beter in te richten op de beheersing van deze risico’s. In 2017 wordt vrijwel hetzelfde geconstateerd. Nog steeds ontbreekt een goede beoordeling van de blootstelling en wordt opnieuw geadviseerd het gevaarlijke-stoffenbeleid verder uit te werken.
Ook werknemers trekken aan de bel. Eén van hen verklaart later dat hij al sinds 1997 vragen stelde over de dampen waarmee werd gewerkt. Volgens zijn verklaring kreeg hij telkens te horen dat er niets aan de hand was. Tijdens algemene bijeenkomsten stelde hij die vragen ook in aanwezigheid van zowel de Vice President als de plantmanager. Volgens de werknemer werd hem steeds verteld dat de dampen niet schadelijk waren. In 2017 grijpt de Inspectie SZW uiteindelijk in. De blootstelling aan formaldehyde blijkt nog steeds te hoog en de werkzaamheden op de glasafdeling worden stilgelegd. De zaak komt in januari 2026 in hoger beroep (Hof Arnhem-Leeuwarden 14 januari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:182.)
De kern van de zaak ligt daarmee niet alleen in de blootstelling op de werkvloer. De kern ligt vooral in de vraag waarom deze blootstelling uiteindelijk ook persoonlijk aan de Vice President werd toegerekend.
3. Waarom de Vice President persoonlijk verantwoordelijk werd gehouden
De Vice President werd niet vervolgd omdat hij zelf met formaldehyde werkte. Hij werd ook niet vervolgd omdat hij persoonlijk blootstellingsmetingen had moeten uitvoeren. Het verwijt zat op een ander niveau. Volgens het Openbaar Ministerie had de onderneming werknemers jarenlang blootgesteld aan formaldehyde, terwijl onvoldoende maatregelen waren getroffen om die blootstelling te voorkomen of te beperken. Daarnaast zouden werknemers onvoldoende zijn geïnformeerd over de risico’s van formaldehyde, ontbrak voldoende deskundigheid binnen de organisatie en waren de RI&E’s onvolledig (art. 3 lid 1 onder a, art. 13 lid 1 en lid 4 en art. 32 Arbowet; art. 4.1b lid 1, art. 4.1c lid 1 onder b en e, art. 4.10d lid 1 onder d, art. 4.13 onder b, c, d en f en art. 4.16 lid 3 Arbobesluit)
De onderneming werd daarvoor vervolgd. Daarnaast werd de Vice President vervolgd als feitelijk leidinggever (naast de plantmanager) en daarmee kwam de discussie terecht op een niveau dat veel directies zullen herkennen:
- Hoe verantwoordelijk ben je nog voor wat er op een plant gebeurt als daar een plantmanager, een SHEQ-manager en diverse andere functionarissen aanwezig zijn?
4. “Daarvoor hadden we toch een plantmanager en SHEQ-manager?”
Volgens de Vice President lag het op de weg van de SHEQ-manager om veiligheidsproblemen te signaleren en tijdens de wekelijkse overleggen onder de aandacht te brengen. Dat was volgens hem niet gebeurd. Ook wees hij erop dat er een plantmanager aanwezig was die verantwoordelijk was voor de dagelijkse gang van zaken op de locatie. Daarnaast werden externe audits uitgevoerd, beschikte het bedrijf over ISO en OSHAS-certificeringen en werd gewerkt met RI&E’s. De Vice President stelde bovendien dat hij slechts ongeveer één keer per week op de locatie aanwezig was. Volgens hem was tijdens de wekelijkse overleggen nooit sprake geweest van een escalatie rond formaldehyde. Hij verkeerde daarom in de veronderstelling dat zich geen acute gevaarlijke situatie voordeed.
5. Waarom de rechter daar niet in meeging
De rechter (het hof) keek niet alleen naar de organisatiestructuur, maar vooral naar de informatie waarover de Vice President beschikte en die informatie was omvangrijk.
a) E-mails
Uit e-mails blijkt dat de plantmanager in 2010 conceptrapporten over formaldehydemetingen rechtstreeks naar de Vice President had doorgestuurd. In die rapporten stond dat de grenswaarden werden overschreden en werden financiële voorstellen gedaan voor nieuwe metingen. Ook werd gesproken over de noodzaak van beheersmaatregelen en de mogelijkheid om over te stappen op formaldehydevrije alternatieven. De Vice President heeft zelf verklaard dat hij deze rapporten had ontvangen en besproken.
b) ISO- en OHSAS-audits
Daarnaast bleek uit audits dat gedurende meerdere jaren werd gesproken over formaldehyde, overschrijdingen van grenswaarden en de zoektocht naar alternatieven. Het externe bureau heeft meermaals geadviseerd om meer metingen naar een mogelijke blootstelling te doen en op basis daarvan maatregelen te nemen. Zowel de plantmanager als de Vice President waren daarbij betrokken.
c) Verklaringen van werknemers
Ook verklaringen van werknemers speelden een rol. Zo heeft een werknemer verklaard dat de Vice President tegen hem zou hebben gezegd dat hij niet op de afdeling kwam omdat het volgens hem niet veilig was. Volgens die verklaring speelde dit al rond 2010, dus jaren voordat de Nederlandse Arbeidsinspectie ingreep.
d) Deskundigheid van de SHEQ-afdeling
Een SHEQ-manager was officieel verantwoordelijk voor veiligheid in de periode waarop het onderzoek betrekking had. Voor deze functie was 1 FTE gereserveerd. In de praktijk bleek dit 0,2 FTE te zijn en was de invulling sterk afhankelijk van de prioriteit die andere taken kregen ten opzichte van veiligheid. De functie werd bovendien uitgevoerd door elkaar opvolgende SHEQ-managers zonder voldoende competenties. Het waren voornamelijk procesmensen. De rechter vond daarom niet geloofwaardig dat sprake was van een jarenlang misverstand waarbij de Vice President dacht dat de rapporten uitsluitend betrekking hadden op emissies naar buiten en niet op blootstelling van werknemers op de werkvloer. Daarmee ontstaat een belangrijk omslagpunt.
Vanaf het moment dat de leiding beschikt over informatie waaruit blijkt dat werknemers mogelijk aan gevaarlijke concentraties worden blootgesteld, verschuift de discussie van onwetendheid naar verantwoordelijkheid.
e) Geen voorlichting en onderricht
Ook op het punt van voorlichting en onderricht ging het volgens de rechter mis. Werknemers werkten jarenlang met formaldehydehoudende lijm, maar zouden onvoldoende zijn voorgelicht over de gezondheidsrisico’s van formaldehyde en over de voorzorgsmaatregelen die nodig waren om blootstelling te voorkomen of tot een zo laag mogelijk niveau te beperken. Juist bij een kankerverwekkende stof is algemene veiligheidsinformatie niet genoeg: werknemers moeten concreet weten met welke stof zij werken, welke risico’s daaraan verbonden zijn en welke maatregelen zij moeten nemen om blootstelling te beheersen.
6. Waarom delegeren aan SHEQ de directieverantwoordelijkheid niet wegneemt
Als hogere veiligheidskundige vind ik dit misschien wel het meest interessante onderdeel van het arrest. De SHEQ-manager wordt tijdens de procedure meerdere keren naar voren geschoven als degene die verantwoordelijk was voor veiligheid. Alleen blijkt uit het dossier iets anders. Een voormalige SHEQ-manager verklaart dat hij niet wist dat formaldehyde een kankerverwekkende stof was. Hij kende de meetrapporten niet. Er was geen plan van aanpak voor formaldehyde opgesteld en de kennis over gevaarlijke stoffen binnen de organisatie was beperkt.
Een andere SHEQ-medewerker verklaarde dat hij pas in 2017 kennisnam van de meetrapporten uit 2010, nadat hij deze aantrof in een kast op het kantoor van de plantmanager. Daar komt nog iets bij. Uit de verklaringen blijkt dat investeringen en verbeteringen uiteindelijk via de directie liepen. De SHEQ-functie had dus wel een adviserende rol, maar beschikte niet over de bevoegdheden om zelfstandig beleid af te dwingen.
Dat maakt deze uitspraak relevant voor veel organisaties. Een SHEQ-manager kan adviseren, signaleren en rapporteren, maar beschikt niet altijd over de bevoegdheid om maatregelen, middelen of prioriteiten af te dwingen. Dat kan anders zijn wanneer de SHEQ-manager ook lid is van het managementteam en daadwerkelijk meebeslist over beleid, budget en opvolging. Ligt die beslissingsmacht elders, dan blijft ook daar de verantwoordelijkheid om opvolging te organiseren.
7. Wat directies hiervan kunnen leren
Wat mij als jurist en hogere veiligheidskundige betreft zit de belangrijkste les in de manier waarop directies omgaan met signalen, zeker als het gaat om mogelijke blootstelling aan gevaarlijke stoffen.
Voor Vice Presidents, operations directors en plant directors is dit arrest daarom ongemakkelijk relevant. De rechter laat zien dat een managementlaag niet buiten beeld blijft omdat er een plantmanager of SHEQ-manager aanwezig is. De vraag wordt: welke signalen bereikten het management, welke bevoegdheid bestond om in te grijpen en welke opvolging is aantoonbaar georganiseerd? Als die drie elementen samenkomen, verschuift het dossier van veiligheid naar bestuurlijke verantwoordelijkheid.
